Gedichten

Hier vind je een greep uit de gedichten die ik de afgelopen tijd schreef.

Sommige verschenen in tijdschriften, andere in bundels, zoals Tijdelijk Verblijf bij uitgeverij DuoDuo.

Het auteursrecht berust uiteraard bij mij. Publicatie, in welk medium dan ook, is alleen mogelijk met mijn schriftelijke toestemming.

Op 11 november 2011 is mijn bundel Wespenverdrinken en geel cellofaan uitgekomen bij uitgeverij Douane in Rotterdam.

Zie de kip

 

Vogel: zeker

Maar nooit het luchtruim

de allesverterende drang naar verte

 

Veren: zeker

Maar nooit de trage vleugelslag

het hautaine zweven

 

Uit gebrek bestaat de kip

uit wat zij mist:

De coloratuur van bladgroene zangers

Het potloodventen van pauwen

Het scheurende oog van de havik

Het opgewekt cynisme van kraaien

De hockeydijen van de struisvogel

 

Tegenover de wulpsheid van wulpen

de gierigheid van gieren

stelt de kip haar kippigheid

het blindelings pikken

naar wat beweegt

 

Zoals zij klinkt is de kip:

de tweepotige k

de spichtige i

de pruillippige p

kip, haar spellen is haar verachten

 

Vel over borst is zij

een zak voor krop en maag en lever

eileiders

een warme zak voor drumsticks

tv boutjes

 

Ach arme naakte kip

het woord is vlees geworden.

Het huis heeft op ons gewacht

maar geeft zich niet zomaar gewonnen.

Het stroeve slot voelt als een stil verwijt

de kelderdeur gedraagt zich terughoudend.

 

Onwennig vertrouwd voegen de kamers

zich naar onze blikken

schikken de stoelen zich

om ons gewicht onze contouren.

 

Nog ruikt het huis als niet van ons

het laat ons stil begaan wanneer wij

vreemdgangers terug uit kamers

van zeer tijdelijk allooi

 

ongegeneerd de geuren van daar

in koffers en kleren naar binnen brengen

deuren en ramen en kasten en laden openen

de ruimte vullen met ons geluid.

 

De tuin intussen heeft zich uitgeleefd

in ongehoorde woekering geluidloze

gevechten om licht in volle gang.

We betreden een oorlogsgebied.

 

Duivelsnaaigaren en hop brengen

eendrachtig de vuurdoorn om

zijn felle stekels machteloos tegen

het zachte wurgen van hun omstrengeling.

 

De kamperfoelie bloeit ten koste

van de schuchtere roos die op haar beurt

de sneeuwbes geen ruimte gunt

waar de acanth klassiek van profiteert.

 

Het bed –ons bed- ruimhartig als immer

ontfermt zich ten slotte over ons

herbergt onze verwarde dromen

in deze tussentijd.

 

Als we ontwaken in de buik van de nacht

ruist de regen in de tuin

gorgelt het water in de goten

door de vaten van het huis

 

brengt deze nachtmuziek ons zacht

klaarwakker pasgeboren

terug naar onze plaats

van bestemming.